Machtsverhoudingen, ontstaan van het Hof en secularisatie

  • Je kunt je afvragen hoe het komt dat zoveel machtskansen in de handen van één enkel mens worden gelegd?
  • Of hoe het komt dat duizenden mensen zich gedurende eeuwen of millennia laten regeren door één enkele familie of vertegenwoordiger daarvan, zonder enige mogelijkheid tot controle? Welk stelsel (van wederzijdse afhankelijkheid) maakt dit mogelijk en waarom is deze positie tegenwoordig aan het verdwijnen? [3, blz. 11]

Grandseigneurale samenleving

De hofsamenleving van Lodewijk XIV is er niet in een vloek en een zucht. Eeuwen zijn ermee gemoeid voordat het zover is dat de landelijk verspreide adel zich rondom de koning verenigt als hofadel. Eeuwen waarin ridders verworden tot hoofse seigneurs en de ridderkoning tot een aristocratische hofkoning. In de Middeleeuwen trekt de ridderkoning nog  aan het hoofd van zijn edellieden ten strijde, een kwestie van eer en volgens de wet van ridderlijk gedrag. In de 17e eeuw echter laat Lodewijk XIV zijn oorlogen voeren door generaals met betaalde huurtroepen. Is de ridderkoning nog de primus inter pares, Lodewijk overtreft de rest van de adel in het rijk qua machtspositie inmiddels vergaand. De afstand tussen de edellieden en de koning is enorm toegenomen. [3, blz. 215] Toch vormen adel en koning desondanks nog steeds onveranderd één sociale laag, een superieure laag. Dit wordt overigens in het maatschappelijk leven als vrij vanzelfsprekend ervaren.  Oud en nieuw geld zijn vastberaden zich een plaats aan de top te verwerven, maar erg ver  ‘naar beneden’ beweegt de klassenstrijd zich niet, niet zoals van proletariaat tegen de bourgeoisie in latere tijden. [6,blz. 38]

In het voorindustriële tijdperk is er doorgaans een sterke tendens  om machtskansen te concentreren in één enkele sociale positie, namelijk die van de monarch. Het is gewoon dat in de dynastieke staatsamenlevingen de persoonlijke en ambachtelijke belangen van de hofelite elkaar overlappen. Dat het hof van de monarch en de hofsamenleving een machtige en prestigerijke eliteformatie vormen.  Een monopolie-elite.  Dat een betrekkelijk groot gebied van allerlei veroverende en door verovering bedreigde staatssamenlevingen wordt geregeerd vanuit één centrum. Dit komt doordat elke centrale heer het monopool weet te verwerven over twee beslissende machtsbronnen: belastingafdrachten én het geweldspotentieel van leger en politie.

Onbeperkte macht niet zo onbeperkt

Zoals de stad in onze eeuw de meest typerend samenlevingsvorm is en daarmee stedelingen,  voor de 16e en 17eeeuwse mens  heeft juist het hof die typerende centrale betekenis.

Het hof en de hofsamenleving hebben als instantie de grootste invloed. In een ‘hof’ verenigen zich – door een eigenaardige dwang die zijzelf én buitenstaanders zowel op zichzelf als op elkaar uitoefenen –  honderden en vaak zelfs duizenden mensen op één plaats.  Eigenlijk is het hof een manifestatie van met elkaar vervlochten mensen, hét kenmerkende van deze maatschappelijke vorm van samenleving. Al deze mensen  zijn voor hun rang, financiële steun,  sociale stijging en daling in zekere mate en binnen bepaalde grenzen afhankelijk  van de absoluut heersende koning. Zij zijn er als dienaren, adviseurs en als gezelschap. Een min of meer vaste rangorde en een precieze etiquette verbindt hen met elkaar.  [3,blz. 56]

Hoven zijn een fenomeen in het tijdperk waarin  het mercantilisme de  economische grondslag vormt. Er sprake is van patrimonialisme vanuit het gezichtspunt van de soort heerschappij en naar het soort ambtenaren en van absolutisme als je het perspectief van de staatsinrichting neemt. Het patrimoniale bestuur is in wezen aan personen gebonden. Echter het gezag van de alleenheerser is zelfs in de tijd van het absolutisme  echt niet zo onbeperkt en absoluut als de term ‘absolutisme’ doet geloven. Zelfs Lodewijk XIV de Zonnekoning, die vaak wordt aangehaald als hét voorbeeld van de allesbeslissende, absolute en onbeperkte heerser, zit vervlochten in een netwerk van afhankelijkheden.  Alleen door een zeer uitgekiende strategie weet hij zijn machtsspeelruimte te behouden.  [3,blz. 12]

Godsdienstoorlogen katalysator hofsamenleving

Sinds de Renaissance wint het hof steeds meer aan betekenis. Vooral in Italië  is er een uitgebreide traditie van hofmecenaat, nadat de stadsstaat zich ontwikkelt tot een hofsamenleving.

In Italië zijn er naast de invloedrijke republieken van Florence en Venetië drie grote mogendheden. De monarchieën van Milaan, Napels én de kerkelijke Staat.  Net zoals in de kleinere staten Ferrara, Mantua en Urbino is hier het hof de centrale instelling.  [6, blz. 34] Aan het hoofd van deze stadsstaten staat een zogenoemde signore  of een podesta of capitano del populo, flatterende benamingen voor eigenzinnige despoten;  [4, blz.21]  lieden die voor zichzelf alras tegen veelal hoge bedragen de titel aankochten van Prins, Hertog of Markies.

Florence, Milaan en het koningschap Napels vormen onder Cosimo de Medici en Franscesco Sforza een alliantie juist tegenover het krachtige Venetië en het pausdom. [5, blz. 41] Cosimo’s zoon Lorenzo blijkt een uitmuntend leider (1449-1492). En met een korte interruptie heersen nog twee Medicipausen (Leo X en Clementus VII) over Florence ; met Alessandro de Medici (1510 – 1537) komt er echter een eind aan de republiek als staatsvorm. [5, blz. 44-45] De Franse bijstand aan het hof van Milaan in de strijd met Napels zorgt voor een grote machtsverschuiving, wanneer Frankrijk in februari 1495 niet alleen Napels, maar ook Rome en Florence verovert. Het raamwerk van de natiestaat is weliswaar nog embryonaal, een vaag begin dient zich aan. [5,blz. 27] Want Frankrijk kent evenals Engeland – in contrast met Duitsland- al enige tijd sinds het beslechten van de 100-jarige oorlog  (1337 en 1453) een stevige nationale monarchie.  Wat het recept lijkt te zijn voor een duurzamere staatsvorm. [5, blz. 29-30]

Het Franse hof (het Huis van Bourbon – Hendrik IV, Lodewijk XIII en XIV) en vooral dat van de Zonnekoning geldt voor de inrichting van de Europese hoven als voorbeeld. [4,blz. 60-61] Het is niet eenvoudigweg hun vrije wil die hovelingen aan het hof samenbrengt en samenhoudt; of die na vaders en moeders ook zonen en dochters op deze wijze samenvoegt.  Het hof is er ook niet zomaar opeens; niet door één enkel mens of één enkele groep gepland, gewild en bedoeld als bijvoorbeeld de kerk, de stad, de fabriek of de bureaucratie. Desalniettemin zijn pausen zoals op zovele gebieden ook hier de voorgangers en voorbeeld voor de latere ontwikkeling.

De paus heeft in die tijd geweldige politieke én militaire invloed met een eigen leger. De vorsten in Italië en Frankrijk wedijveren met de hoven van de pausen. Schandalen voeren aan de pauselijke hoven de boventoon, desalniettemin is de bevolking trots op de eeuwige stad en haar toonaangevende positie in het Westers Christendom.  [5, blz. 102] De paus is een grootmeester in ceremonies  en ‘top –showman’ . Rome verenigt de splendeur van de mythen en christelijke tradities.  In de strijd om de territoriale staat worden brute methoden niet geschuwd;  foltering, verwonding, ophanging, de brandstapel, zelfs ‘koken tot de dood erop volgt’ komen voor.

Nicco Machiavelli introduceert nieuwe ideeën in zijn boek Il Principe (de Vorst) over het bestuur; een sterk heerser én een sterk leger zijn nodig om de eigen burgers te beschermen. Het doel heiligt de middelen. Alles draait om Virtú: politieke daadkracht.

Zoals ook Baldassare Catiglione’s boek The Book of the Courtier [Bk I, par.17]*[1] zegt,  is voor de hoveling hoofdzaak en ware professie de oorlogsvoering.  [5, blz. 91]  Ook religieuze leiders zien oorlog als onvermijdelijk. Ze nemen volop deel in de race voor de machten verdedigen met hand en tand hun positie als monarch van het Vaticaan – het pausdom door God gegeven – en zijn dominant speler in het politieke veld. [5, blz. 103] Gematigd katholieke royalistische adel  strijdt zij aan zij met de protestanten onder Hendrik IV tegen de koning van Spanje, de streng katholieke adel, clerus en de paus.  De onteigende kerkelijke  goederen  door Frans I en het gebruik als beloning voor diensten aan de koning scheppen de kiem voor langdurige belangenconflicten tussen de adel en geestelijkheid. Frans I beloont de militaire verdiensten met de toekenning van titels en daarmee van rangen,  waardoor zich naast de oude leenadel  een nieuwe adellijke hiërarchie ontpopt. De Noblesse neemt de plaats in van de Féodalité.   [4, blz. 229] Het regime van Frans I vormt dan ook een kantelpunt in de transformatie van ruileconomische feodale adel tot een hofaristrocratie.

Frankrijk is leermeester voor aangelegenheden van het hofleven. Vanaf het hof van Avignon zijn in de hofsamenleving enerzijds edellieden ‘zonder ander beroep dan het dienen van het hof’ en anderzijds mooie, gedistingeerde, welgemanierde en geestrijke vrouwen voortdurend bij elkaar. [4, blz. 62]

Geldcirculatie zet adel op stelten en koning op grote voorsprong

In de elfde en twaalfde eeuw begint de revival van de handel, steden groeien, de middenklasse is in opkomst en de sociale mobiliteit neemt toe, wat het overwicht van de feodalen doet slinken. Tot die tijd is er weinig handel, is het stadsleven nagenoeg verdwenen  en zijn nagenoeg alle klassen afhankelijk van het cultiveren van grond, hetzij als landarbeider dan wel als landeigenaar. Het land vertegenwoordigt rijkdom en iedere rurale gemeenschap is zelfvoorzienend, wat de noodzaak van geld als middel van uitwisseling onnodig maakt, waardoor er weinig geld in omloop is.  De grond levert de benodigde middelen. De koning staat weliswaar aan de top van deze feodale piramide , in de praktijk is iedere baron baron over zijn eigen territorium. Dit maakt dat de bestuursvorm  is en de zeggenschap van de koning beknot. Zoals gezegd doet zich in dit feodale stelsel een kentering voor [6, blz. 6]. Deze verliest haar politieke kracht en er komt een nieuwe wijze van besturen voor in de plaats. De maatschappelijk sociale beweging vraagt om een meer effectief centraal bewind. Er is een trend naar grootster en meer autoritair aangestuurde politieke eenheden. De toenemende welvaart en de  belastinginkomsten op basis daarvan voorzien in de benodigde bronnen.   [6,blz. 25] De import van edelmetaal brengt meer geld in omloop, maar zorgt er ook voor dat de waarde van  het geld vermindert. De koopkracht daalt en prijzen stijgen. De stijgende prijzen houden geen gelijke tred met de vaste pachtopbrengst. Dit vormt een wezenlijk gevaar voor de economische basis van bestaan van de Franse adel.  Velen moeten hun landerijen verkopen.

De koning heeft hier minder last van: hij verdeelt in toenemende mate geld in plaats van grond. Geld dat hij verkrijgt uit belastingen,  afdrachten en verkoop van ambten. Met de groei van het handelsvermogen in de samenleving,  groeien ook zijn inkomsten in de vorm van hogere belastinginkomsten.  Met het geld stijgt zijn macht. [3, blz. 219] Rap! [5, blz. 7] Dit maakt dat hij niet echt meer afhankelijk is van de loyaliteit van de  adel aan zijn krijgsmacht.  Dit biedt kansen, want de voormalige legertjes zijn relatief klein, ongedisciplineerd en redelijk lastig aan te voeren op het strijdveld.  Totaal ongeschikt om op nationale schaal te opereren.  Geld brengt daarin verandering. De koning kan nu immers troepen inhuren  en tegen betaling soldaten recruteren uit de onderlagen.  De komst van vuurwapens bekrachtigt dit nog eens. De uitvinding van het buskruit betekent het einde van het ridderschap waardoor er andere staatsvormen kunnen ontstaan. Nog een klap voor de oude krijgsadel.  Ridders te paard met hun harnassen worden minder belangrijk, de oorlogsvoering verandert en vraagt om andere troepen.   Met het inrichten van compagnies onder professionele aanvoering  kan hij voortaan langdurig de strijd aangaan op internationale schaal zelfs. [5, blz. 12] Zo wordt de koning  stukken minder afhankelijk van de feodale leenadel, maar neemt tegelijkertijd de afhankelijkheid van de adel  naar de koning toe.

Handel betekent dus vergroting van de staatsmacht van de koning. Daarom doet hij er ook alles aan om handelswegen te beschermen. Daarom verschaft hij handelaars rechtswaarborgen. Door het voortschrijdende geld- en goederenverkeer, de uitbreiding van de handel en de commercialisering van het sociale veld is hij in staat om een menigte mensen op één locatie bijeen te houden, te voeden én te controleren. Dit maakt dat hij een hof kan inrichten.

Ook grootgrondbezitters schakelen deels over van pacht in natura naar pacht in geld. Daardoor kunnen ook zij zich deels losmaken van hun landerijen en zich op afstand daarvan vestigen aan het hof.  Een hof dat tot in de zeventiende eeuw  goeddeels nog een rondtrekkend hof is.[3, blz. 79 ] Het hof heeft twee functies, een openbare (het bestuur van de staat) en een particuliere (het huishouden van de vorst). Bezoekt een vorst een deel van het zijn rijk dan gaat het hele hof mee.  Desnoods met 500 muildieren en paarden [Malaguzzi-Valeri, 1913, deel 1, hfdst 3] Een trek van kasteel naar kasteel.  De luxe van het hof spreekt ook nu nog tot de verbeelding. De pracht en grootte zijn echter niet primair uitdrukking van rijkdom, maar van rang en stand. [3, blz. 79]

Spanningsbalans  geeft koningschap continuïteit

In Frankrijk en Engeland gaat de feodale statuur over in een nationale monarchie, in Italië vormen zich territoriale staten waaronder die van Milaan, Venetië en bijvoorbeeld ook Florence. [5, blz. 8] Net zoals in de middeleeuwen is er sprake van een hiërarchisch geordende standensamenleving, met dit verschil dat de vertegenwoordigers van het koningschap een onmiskenbaar overwicht over de standen hebben.

De koning is machtiger dan alle andere edelen, de hoge clerus én de hoge ambtenaren-magistratuur.  Na de koning volgen de hoge zwaardadel (bonne société) , de hoge clerus en het korps van juridische en bestuurlijke ambtenaren. Bekleders van hoge hoofse, militaire en diplomatieke ambten  (noblesse dépée) . Ook weer intern hiërarchisch geordend. Belastingpachters,  burgerlijke literaire intellectuelen,  advocaten, procureurs, artsen, geleerden: “Ambtenarenadel’, noblesse de robe, die veelal direct of indirect uit de bourgeoisie afkomstig is. De adel kan nog voldoende tegengas geven aan de opkomende burgerlijke lagen, al zijn deze al dusdanig machtig en zelfbewust aan het worden dat ze wel degelijk weerstand bieden aan de heerschappij van de adel.  Het is dankzij de koning dat de adel standhoudt, want veel functies hebben zij al verloren op het gebied van bestuur en rechtspraak aan de bovenlaag van de burgerij; met hun handelsgeld zijn deze in staat adellijke titels te kopen.  Een goede bron van inkomsten derhalve voor de koning.  In Italië zet zich dit al in voor het einde van de 13e eeuw. [6, blz 93]

Collectief van individuen

Steeds meer adellijke goederen gaan over in handen van de hoge burgerij.[4, blz. 261] Noch de zwaardadel, noch de ambtsadel is vooralsnog in staat duurzaam overwicht op de andere partij te realiseren. Periodiek zijn er weliswaar allerlei onderlinge bondgenootschappen van adel en parlementen tegen de koning, maar zodra de bondgenoot te krachtig wordt, worden deze verbroken om toch weer de toenadering te zoeken tot de koninklijke groepering.  [4, blz. 239] De adel is qua rang de heersende klasse, wat machtsstructuur betreft kun je niet zeggen dat de adel uitgesproken de overhand heeft.

De koning handhaaft zich en heerst onbeperkt doordat hij deze spanningsbalans in zijn gezagsgebied in stand houdt. Het komt hem goed uit, deze verwoede strijd tussen grote sociale groeperingen van burgers en adel. Ministers kiest hij dan ook bij voorkeur uit de hogere volgzame middenklasse.  Aldus komt de primaire dwang van het hof voort uit de noodzaak om zich als hofadel te handhaven en zich te onderscheiden van de landadel, de ambtsadel en het volk. Een gedistantieerd bestaan als hoveling is doel op zich. De hofadel onderscheidt zich als collectief en binnen dit collectief wil iedereen zich individueel onderscheiden. Renaissancedenkers leggen nadruk op  de onderscheidend elementen, op distinctie, op de universele mens, niet zozeer op de persoonlijke identiteit. Niet zoals in onze tijd de term individualisme inhoud krijgt, in die zin een abstractie, afhankelijk van de betekenisgeving in de context. De Venetianen weten misschien  nog het beste te schipperen tussen de rechten van het individu en de noden van de staat.   [5, blz. 110-112]                                                                                                                                                        


[1] Dit boek ziet het licht in 1518 en beschrijft de codes aan het hof van Urbino. Zelf hertog van geboorte, zijn scholing genietend in de kringen van humanisten te Milaan en Mantua, vertegenwoordigt paus Clementus VII aan het hof van keizer Charles V en is gedurende tien jaar verbonden aan het hof van de Montefeltro’s te Urbino.  Handelt over de ideale verschijning van de hoveling en zijn partner, gebaseerd op informele discussies daaromtrent aan het begin van de 16e eeuw, die hij optekent ‘uit tweede hand’. De hoveling heeft een brede opleiding, stamt bij voorkeur van een nobel geslacht, blinkt uit in het leger en mannelijke sport, als ook in muziek en poëzie, dans, en conversatie. Is thuis in het Grieks en Latijn, een man van alle seizoenen die zich overal thuis voelt en kan representeren en beschikt over een innemende persoonlijkheid. Eerlijkheid, karakter, trouw aan morele principes, uiterst zorgvuldig in kledij, gebaren en een afgestemd gevoel voor humor en dat alles ter eer en glorie van zijn heer en meester en met zijn kwaliteiten leidt hij deze op het pad van en naar heldendom. In die zin is het boek veel meer dan een ‘gids voor de etiquette aan het hof’. [5, blz. 98-99]

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s